BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 93
Bouwbesluit
1. In een ruimte als bedoeld in het tweede lid, moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig zijn.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3, en
c. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een besloten ruimte waarin zich de centrale meetapparatuur voor gas bevindt.
3. De toevoer van verse lucht naar een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
4. De afvoer van binnenlucht uit een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3, en
c. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een besloten ruimte waarin zich de centrale meetapparatuur voor gas bevindt.
3. De toevoer van verse lucht naar een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
4. De afvoer van binnenlucht uit een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.