BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 202
Bouwbesluit
1. In een ruimte als bedoeld in het vijfde lid, moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig zijn.
2. Ten aanzien van de inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht is, wat de richting van de luchtstroming betreft, NEN 1087 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de bepaling van die richting, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven. Op de inrichting van de voorziening voor de afvoer van binnenlucht van een opslagruimte voor afval is voorts van toepassing de eis voor de plaats van een opening, bedoeld in NEN 1087; daarbij blijven buiten beschouwing bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een aangrenzend perceel liggen.
3. Een opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw.
4. In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3;
c. 3.10-3 m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van een stallingsruimte, en
d. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een meterruimte, met een minimum van 2.10-3 m3/s.
Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing.
6. De toevoer van verse lucht naar een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
7. De afvoer van binnenlucht uit een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
8. De toevoer van verse lucht naar de kooi van een brandweerlift en de afvoer van binnenlucht uit die kooi moeten plaatsvinden vanuit respectievelijk naar de liftschacht.
9. De toevoer van verse lucht naar de liftschacht, bedoeld in het achtste lid, en de afvoer van binnenlucht uit die schacht mogen niet vanuit respectievelijk naar een andere binnen het gebouw gelegen besloten ruimte plaatsvinden, tenzij die ruimte een verkeersruimte is waarin een trap is gelegen die is bestemd voor het ontsluiten van een in het gebouw gelegen verblijfsgebied.
2. Ten aanzien van de inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht is, wat de richting van de luchtstroming betreft, NEN 1087 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de bepaling van die richting, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven. Op de inrichting van de voorziening voor de afvoer van binnenlucht van een opslagruimte voor afval is voorts van toepassing de eis voor de plaats van een opening, bedoeld in NEN 1087; daarbij blijven buiten beschouwing bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die op een aangrenzend perceel liggen.
3. Een opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw.
4. In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3;
c. 3.10-3 m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van een stallingsruimte, en
d. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een meterruimte, met een minimum van 2.10-3 m3/s.
Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing.
6. De toevoer van verse lucht naar een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
7. De afvoer van binnenlucht uit een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m 3moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
8. De toevoer van verse lucht naar de kooi van een brandweerlift en de afvoer van binnenlucht uit die kooi moeten plaatsvinden vanuit respectievelijk naar de liftschacht.
9. De toevoer van verse lucht naar de liftschacht, bedoeld in het achtste lid, en de afvoer van binnenlucht uit die schacht mogen niet vanuit respectievelijk naar een andere binnen het gebouw gelegen besloten ruimte plaatsvinden, tenzij die ruimte een verkeersruimte is waarin een trap is gelegen die is bestemd voor het ontsluiten van een in het gebouw gelegen verblijfsgebied.