BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 199
Bouwbesluit
1. Een gebouw moet, afhankelijk van zijn bestemming en inrichting, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in en bij het gebouw, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.
2. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van een lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
4. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
2. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet ten minste één aansluitpunt hebben ter plaatse van een lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
4. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.