BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 203
Bouwbesluit
1. In een gebouw moet, voor zover daarin een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, niet zijnde een kooktoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757, van niet meer dan 15 kW, aanwezig is, ter voorkoming van een onaanvaardbare ophoping van vergiftige of hinderlijke gassen, een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook aanwezig zijn.
2. De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben. Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit van de toevoer van verbrandingslucht is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing en ten aanzien van de bepaling van de capaciteit van de afvoer van rook is NEN 2757 van toepassing.
3. Onverminderd het tweede lid, is ten behoeve van:
a. een opstelplaats voor een stooktoestel uitgegaan van een op gas gestookt verbrandingstoestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW, en
b. een opstelplaats voor een warmwatertoestel uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 20 W per m2 van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 30 W per m 2van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
5. Onverminderd het tweede lid, moet bij een verbrandingstoestel met een belasting van meer dan 130 kW de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook zodanig zijn dat die toe- en afvoer met een op dat toestel afgestemde capaciteit plaatsvinden.
6. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van de opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht, die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, en ontluchtingsvoorzieningen ten behoeve van de voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
7. De opening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die opening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw.
8. In afwijking van het zevende lid, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
9. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, moet ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening in een uitwendige scheidingsconstructie, niet zijnde het dak, tussen die uitmonding en de perceelsgrens, langszij gemeten, een afstand moet zijn aangehouden van ten minste 1 m en, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie, van ten minste 2 m, en
b. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven.
10. In afwijking van het negende lid, onderdeel a, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
11. Indien toepassing is gegeven aan het negende lid, aanhef, en onderdeel b, moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die is bestemd voor natuurlijke afvoer van rook, ter voorkoming van het terugstromen van die rook, zijn voorzien van een goed functionerende kap.
2. De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben. Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit van de toevoer van verbrandingslucht is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing en ten aanzien van de bepaling van de capaciteit van de afvoer van rook is NEN 2757 van toepassing.
3. Onverminderd het tweede lid, is ten behoeve van:
a. een opstelplaats voor een stooktoestel uitgegaan van een op gas gestookt verbrandingstoestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW, en
b. een opstelplaats voor een warmwatertoestel uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 20 W per m2 van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 30 W per m 2van de op dat toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van het gebouw, met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
5. Onverminderd het tweede lid, moet bij een verbrandingstoestel met een belasting van meer dan 130 kW de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook zodanig zijn dat die toe- en afvoer met een op dat toestel afgestemde capaciteit plaatsvinden.
6. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van de opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht, die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, en ontluchtingsvoorzieningen ten behoeve van de voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
7. De opening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die opening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw.
8. In afwijking van het zevende lid, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
9. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, moet ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening in een uitwendige scheidingsconstructie, niet zijnde het dak, tussen die uitmonding en de perceelsgrens, langszij gemeten, een afstand moet zijn aangehouden van ten minste 1 m en, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie, van ten minste 2 m, en
b. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven.
10. In afwijking van het negende lid, onderdeel a, mag, indien het perceel waarop het gebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
11. Indien toepassing is gegeven aan het negende lid, aanhef, en onderdeel b, moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die is bestemd voor natuurlijke afvoer van rook, ter voorkoming van het terugstromen van die rook, zijn voorzien van een goed functionerende kap.