BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 123
Bouwbesluit
1. Op een standplaats moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie op de standplaats, een voorziening aanwezig zijn voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.
2. Een woonwagen moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in de woonwagen, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een standplaats heeft ten minste één aansluitpunt:
a. in een toiletruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140;
b. in een badruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, en
c. bij een opstelplaats voor wasapparatuur, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.
4. De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een woonwagen heeft ten minste één aansluitpunt:
a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;
b. in een toiletruimte;
c. in een badruimte, en
d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur.
5. De voorzieningen voor afvalwater en faecaliën, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten, bepaald overeenkomstig NEN 3215, een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de in die norm aangegeven belasting van die voorzieningen en moeten, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.
2. Een woonwagen moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in de woonwagen, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op de voorziening, bedoeld in het eerste lid.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een standplaats heeft ten minste één aansluitpunt:
a. in een toiletruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140;
b. in een badruimte, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140, en
c. bij een opstelplaats voor wasapparatuur, gelegen in het gebouw, bedoeld in artikel 140.
4. De voorziening voor afvalwater en faecaliën van een woonwagen heeft ten minste één aansluitpunt:
a. bij een opstelplaats voor het aanrecht;
b. in een toiletruimte;
c. in een badruimte, en
d. bij een opstelplaats voor wasapparatuur.
5. De voorzieningen voor afvalwater en faecaliën, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten, bepaald overeenkomstig NEN 3215, een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de in die norm aangegeven belasting van die voorzieningen en moeten, bepaald overeenkomstig die norm, lucht- en waterdicht zijn.