BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 18
Bouwbesluit
1. Een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet, met het oog op brandbestrijding, zijn voorzien van een overeenkomstig het tweede lid te bepalen aantal droge blusleidingen waarvan de inrichting ten minste voldoet aan NEN 1594.
2. De afstand tussen een brandslangaansluiting van een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, en een toegang van een op die aansluiting aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning of gemeenschappelijk verblijfsgebied mag, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 50 m.
3. Indien in een woongebouw een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, zijn voorzien van een elektrisch aangedreven pomp.
4. De pomp, bedoeld in het derde lid, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom, opdat die pomp binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 24 uren kan functioneren en gedurende ten minste 6 uren in bedrijf kan blijven.
5. Een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m 2moet zijn voorzien van een overeenkomstig het zevende lid te bepalen aantal brandslanghaspels.
6. Een brandslanghaspel als bedoeld in het vijfde lid, moet zijn voorzien van een slang met een lengte van ten hoogste 20 m, van welke slang de statische druk bij het mondstuk bij gelijktijdig gebruik van twee op dezelfde waterleiding aangesloten brandslanghaspels ten minste 100 kPa is en de capaciteit ten minste 1,3 m 3/h is.
7. Bij de bepaling van het aantal brandslanghaspels als bedoeld in het vijfde lid, moet, opdat elk punt van een vloer van de woning met bluswater kan worden bereikt, zijn uitgegaan van:
a. 2/3 van de beschikbare slanglengte, voor zover die slang voert door een verblijfsgebied, en
b. de totale beschikbare slanglengte, voor zover die slang niet voert door een verblijfsgebied,
vermeerderd met 5 m.
2. De afstand tussen een brandslangaansluiting van een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, en een toegang van een op die aansluiting aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning of gemeenschappelijk verblijfsgebied mag, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 50 m.
3. Indien in een woongebouw een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet een blusleiding als bedoeld in het eerste lid, zijn voorzien van een elektrisch aangedreven pomp.
4. De pomp, bedoeld in het derde lid, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom, opdat die pomp binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 24 uren kan functioneren en gedurende ten minste 6 uren in bedrijf kan blijven.
5. Een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m 2moet zijn voorzien van een overeenkomstig het zevende lid te bepalen aantal brandslanghaspels.
6. Een brandslanghaspel als bedoeld in het vijfde lid, moet zijn voorzien van een slang met een lengte van ten hoogste 20 m, van welke slang de statische druk bij het mondstuk bij gelijktijdig gebruik van twee op dezelfde waterleiding aangesloten brandslanghaspels ten minste 100 kPa is en de capaciteit ten minste 1,3 m 3/h is.
7. Bij de bepaling van het aantal brandslanghaspels als bedoeld in het vijfde lid, moet, opdat elk punt van een vloer van de woning met bluswater kan worden bereikt, zijn uitgegaan van:
a. 2/3 van de beschikbare slanglengte, voor zover die slang voert door een verblijfsgebied, en
b. de totale beschikbare slanglengte, voor zover die slang niet voert door een verblijfsgebied,
vermeerderd met 5 m.