BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 228a
Bouwbesluit
1. Onverminderd de artikelen 227 en 228, heeft een gebouw, bepaald overeenkomstig NEN 2916, een zodanige energieprestatiecoëfficiënt dat in verdergaande mate energie wordt bespaard.
2. Bij de bepaling van de energieprestatiecoëfficiënt wordt aangehouden:
a. voor de coëfficiënt voor koeling, bedoeld in NEN 2916, 4, en
b. voor de in die norm bedoelde factor waarmee compensatie voor toelaatbaar energiegebruik voor ventilatie wordt gerealiseerd, 135.
3. De energieprestatiecoëfficiënt van:
a. een bijeenkomstgebouw is ten hoogste 2,4;
b. een cellengebouw is ten hoogste 2,2;
c. een gezondheidszorggebouw is ten hoogste 1,8;
d. een gezondheidszorggebouw of een gedeelte daarvan dat mede is bestemd voor het verblijf van patiënten die als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn is ten hoogste 3,8;
e. een horecagebouw is ten hoogste 1,9;
f. een onderwijsgebouw is ten hoogste 1,5;
g. een sportgebouw is ten hoogste 2,2;
h. een winkelgebouw is ten hoogste 3,5.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een industriegebouw;
b. een stationsgebouw, en
c. een gebouw, niet zijnde een gebouw als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met o.
2. Bij de bepaling van de energieprestatiecoëfficiënt wordt aangehouden:
a. voor de coëfficiënt voor koeling, bedoeld in NEN 2916, 4, en
b. voor de in die norm bedoelde factor waarmee compensatie voor toelaatbaar energiegebruik voor ventilatie wordt gerealiseerd, 135.
3. De energieprestatiecoëfficiënt van:
a. een bijeenkomstgebouw is ten hoogste 2,4;
b. een cellengebouw is ten hoogste 2,2;
c. een gezondheidszorggebouw is ten hoogste 1,8;
d. een gezondheidszorggebouw of een gedeelte daarvan dat mede is bestemd voor het verblijf van patiënten die als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn is ten hoogste 3,8;
e. een horecagebouw is ten hoogste 1,9;
f. een onderwijsgebouw is ten hoogste 1,5;
g. een sportgebouw is ten hoogste 2,2;
h. een winkelgebouw is ten hoogste 3,5.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een industriegebouw;
b. een stationsgebouw, en
c. een gebouw, niet zijnde een gebouw als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met o.