BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 312
Bouwbesluit
1. In een ruimte als bedoeld in het tweede lid, moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht aanwezig zijn.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3;
c. 3.10-3 m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van een stallingsruimte, en
d. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een meterruimte, met een minimum van 2.10-3 m3/s.
3. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor afval als bedoeld in het tweede lid, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
4. De afvoer van binnenlucht uit een opslagruimte voor afval als bedoeld in het tweede lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 6.10-3 m3/s per m2 vrije vloeroppervlakte van een liftkooi;
b. 0,1 m3/s voor een besloten opslagruimte voor afval met een netto-inhoud van meer dan 3 m3;
c. 3.10-3 m3/s per m2 gebruiksoppervlakte van een stallingsruimte, en
d. 2.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud voor een meterruimte, met een minimum van 2.10-3 m3/s.
3. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor afval als bedoeld in het tweede lid, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
4. De afvoer van binnenlucht uit een opslagruimte voor afval als bedoeld in het tweede lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.