BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 197
Bouwbesluit
1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in een gebouw, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid.
3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een andere toiletruimte of badruimte, moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.
4. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid, mag, bepaald overeenkomstig NEN 2690, geen grotere specifieke luchtvolumestroom hebben dan 20.10-6 m 3/(m 2.s).
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid.
3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een andere toiletruimte of badruimte, moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.
4. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, toiletruimte of badruimte en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit lid, mag, bepaald overeenkomstig NEN 2690, geen grotere specifieke luchtvolumestroom hebben dan 20.10-6 m 3/(m 2.s).