BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 396
Bouwbesluit
1. Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215, heeft, moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie, een voorziening hebben voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, die is aangesloten op het openbaar riool.
2. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet ten minste een aansluitpunt hebben ter plaatse van een lozingstoestel als bedoeld in het eerste lid.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een zodanige capaciteit hebben dat elk op die voorziening aangesloten lozingstoestel als bedoeld in het eerste lid, binnen 5 minuten is geleegd en moet lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
2. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet ten minste een aansluitpunt hebben ter plaatse van een lozingstoestel als bedoeld in het eerste lid.
3. De voorziening voor afvalwater en faecaliën moet een zodanige capaciteit hebben dat elk op die voorziening aangesloten lozingstoestel als bedoeld in het eerste lid, binnen 5 minuten is geleegd en moet lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.