BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 175
Bouwbesluit
1. Een vloer moet, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen, bij de randen zijn voorzien van een afscheiding waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, ten minste 1 m is.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet, indien de vloer hoger is gelegen dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water, de hoogte van de afscheiding ten minste 1,2 m zijn.
3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, mag, indien de afscheiding is gelegen ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,85 m.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan, op een laadvloer en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 0,6 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water.
5. Tussen een in een toegankelijkheidssector gelegen vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,05 m.
6. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mogen geen verticale openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,5 m.
7. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, die is gelegen in een toegankelijkheidssector, mogen geen openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,1 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,7 m boven de vloer.
8. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, die is gelegen in een toegankelijkheidssector, mogen zich, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden bevinden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet, indien de vloer hoger is gelegen dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water, de hoogte van de afscheiding ten minste 1,2 m zijn.
3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, mag, indien de afscheiding is gelegen ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,85 m.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan, op een laadvloer en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 0,6 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water.
5. Tussen een in een toegankelijkheidssector gelegen vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,05 m.
6. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mogen geen verticale openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,5 m.
7. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, die is gelegen in een toegankelijkheidssector, mogen geen openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,1 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,7 m boven de vloer.
8. In een afscheiding als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, die is gelegen in een toegankelijkheidssector, mogen zich, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden bevinden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.