BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 30
Bouwbesluit
1. In een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.
2. De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woningbouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
3. Een opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.
4. In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied en voor de afvoer van binnenlucht uit dat gebied moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,9.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van dat gebied, met een minimum van 7.10-3 m 3/s.
6. Onverminderd het vijfde lid, moet, indien in het verblijfsgebied een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar dat gebied en de afvoer van binnenlucht uit dat gebied, bepaald overeenkomstig NEN 1087, ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
7. De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een in een woning gelegen verblijfsgebied moet plaatsvinden vanuit een ander in die woning gelegen verblijfsgebied, een tot de woning behorende verkeersruimte of van buiten, met dien verstande dat ten minste 50% van de in die leden bedoelde capaciteit voor de toevoer naar de in de woning gelegen verblijfsgebieden rechtstreeks van buiten moet plaatsvinden.
8. De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woongebouw moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
9. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m 3/s.
10. Onverminderd het negende lid, moet, indien zich in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar die ruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
11. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
12. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het elfde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
13. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woning moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsgebied een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van dat gebied.
14. Onverminderd het dertiende lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.
2. De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woningbouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
3. Een opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.
4. In afwijking van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied en voor de afvoer van binnenlucht uit dat gebied moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,9.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van dat gebied, met een minimum van 7.10-3 m 3/s.
6. Onverminderd het vijfde lid, moet, indien in het verblijfsgebied een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar dat gebied en de afvoer van binnenlucht uit dat gebied, bepaald overeenkomstig NEN 1087, ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
7. De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een in een woning gelegen verblijfsgebied moet plaatsvinden vanuit een ander in die woning gelegen verblijfsgebied, een tot de woning behorende verkeersruimte of van buiten, met dien verstande dat ten minste 50% van de in die leden bedoelde capaciteit voor de toevoer naar de in de woning gelegen verblijfsgebieden rechtstreeks van buiten moet plaatsvinden.
8. De toevoer van verse lucht, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar een gemeenschappelijk verblijfsgebied van een woongebouw moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
9. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m 3/s.
10. Onverminderd het negende lid, moet, indien zich in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, de capaciteit voor de toevoer van verse lucht naar die ruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
11. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
12. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het elfde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
13. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woning moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsgebied een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van dat gebied.
14. Onverminderd het dertiende lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.