BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 32
Bouwbesluit
1. In een woning of woongebouw moet, ter voorkoming van een onaanvaardbare ophoping van vergiftige of hinderlijke gassen, ten behoeve van een opstelplaats voor een verbrandingstoestel, niet zijnde een kooktoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van niet meer dan 15 kW, een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook aanwezig zijn.
2. De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, wat de toevoer van verbrandingslucht betreft, bepaald overeenkomstig NEN 1087, en, wat de afvoer van rook betreft, bepaald overeenkomstig NEN 2757, een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben.
3. Onverminderd het tweede lid, moet bij een verbrandingstoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 130 kW, de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook zodanig zijn, dat de toe- en afvoer met een op dat toestel afgestemde capaciteit plaatsvinden.
4. Onverminderd het tweede of derde lid, moet, tenzij artikel 9, vijfde lid, van toepassing is, ten behoeve van:
a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 53 of 62, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 2 kW;
b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 55 of 64, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats, en
c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 56 of 65, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 20 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
5. In afwijking in zoverre van het vierde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 30 W per m 2gebruiksoppervlakte van de woning, met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
6. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
7. De opening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die opening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.
8. In afwijking van het zevende lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
9. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, moet ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening in een uitwendige scheidingsconstructie, niet zijnde het dak, tussen die uitmonding en de perceelsgrens, langszij gemeten, een afstand moet zijn aangehouden van ten minste 1 m en, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie, van ten minste 2 m, en
b. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven.
10. In afwijking van het negende lid, onderdeel a, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
11. Indien toepassing is gegeven aan het negende lid, aanhef en onderdeel b, moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor natuurlijke afvoer van rook, ter voorkoming van het terugstromen van die rook, zijn voorzien van een goed functionerende kap.
2. De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook moet, wat de toevoer van verbrandingslucht betreft, bepaald overeenkomstig NEN 1087, en, wat de afvoer van rook betreft, bepaald overeenkomstig NEN 2757, een in NEN 2757 aangegeven capaciteit hebben.
3. Onverminderd het tweede lid, moet bij een verbrandingstoestel met een nominale belasting als bedoeld in NEN 2757 van meer dan 130 kW, de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook zodanig zijn, dat de toe- en afvoer met een op dat toestel afgestemde capaciteit plaatsvinden.
4. Onverminderd het tweede of derde lid, moet, tenzij artikel 9, vijfde lid, van toepassing is, ten behoeve van:
a. de opstelplaats voor een kooktoestel, bedoeld in artikel 53 of 62, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 2 kW;
b. de opstelplaats voor een stooktoestel, bedoeld in artikel 55 of 64, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats, en
c. de opstelplaats voor een warmwatertoestel, bedoeld in artikel 56 of 65, zijn uitgegaan van een op gas gestookt toestel met een belasting van ten minste 20 W per m2 gebruiksoppervlakte van de woning of van de op dat toestel aangewezen woningen in een woongebouw met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
5. In afwijking in zoverre van het vierde lid, mag, indien het warmwatertoestel is samengevoegd met het stooktoestel, zijn uitgegaan van een belasting van dat samengevoegde toestel van ten minste 30 W per m 2gebruiksoppervlakte van de woning, met een minimum van 6 kW per opstelplaats.
6. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet, indien die toevoer rechtstreeks van buiten plaatsvindt, ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de richting van de luchtstroming, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven, en
b. bij de bepaling van de ligging van een opening van de voorziening, voorzieningen voor de afvoer van rook en voorzieningen voor de afvoer van binnenlucht die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en voorzieningen ten behoeve van de ontluchting van een voorziening voor afvalwater en faecaliën buiten beschouwing blijven.
7. De opening van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die opening is bestemd voor de toevoer van verbrandingslucht, moet zijn gelegen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de woning of het woongebouw.
8. In afwijking van het zevende lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
9. De inrichting van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor de afvoer van rook, moet ten minste voldoen aan NEN 2757, met dien verstande dat:
a. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening in een uitwendige scheidingsconstructie, niet zijnde het dak, tussen die uitmonding en de perceelsgrens, langszij gemeten, een afstand moet zijn aangehouden van ten minste 1 m en, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie, van ten minste 2 m, en
b. bij de bepaling van de plaats van de uitmonding van die voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, buiten beschouwing blijven.
10. In afwijking van het negende lid, onderdeel a, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
11. Indien toepassing is gegeven aan het negende lid, aanhef en onderdeel b, moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor natuurlijke afvoer van rook, ter voorkoming van het terugstromen van die rook, zijn voorzien van een goed functionerende kap.