BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 125
Bouwbesluit
1. In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte van een woonwagen moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.
2. De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat bij de bepaling van de richting van de luchtstroming en de ligging van een opening van de voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing blijven.
3. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,8.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 7.10-3 m 3/s.
4. Onverminderd het derde lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
5. Ten minste 50% van de capaciteit voor de toevoer van verse lucht, bedoeld in het derde en vierde lid, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
6. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
7. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het zesde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
8. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 2gebruiksoppervlakte van de woonwagen.
9. Onverminderd het achtste lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.
2. De inrichting van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet voldoen aan NEN 1087, met dien verstande dat bij de bepaling van de richting van de luchtstroming en de ligging van een opening van de voorziening, bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing blijven.
3. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste 0,8.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 7.10-3 m 3/s.
4. Onverminderd het derde lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
5. Ten minste 50% van de capaciteit voor de toevoer van verse lucht, bedoeld in het derde en vierde lid, moet rechtstreeks van buiten plaatsvinden.
6. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
7. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het zesde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
8. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, een totale capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 2gebruiksoppervlakte van de woonwagen.
9. Onverminderd het achtste lid, moet in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kunnen worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.