BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 212
Bouwbesluit
1. Een gebouw moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, opdat het mede toegankelijk is voor bezoekers, zijn voorzien van ten minste één toegankelijkheidssector die vanaf het aansluitende terrein rechtstreeks bereikbaar is.
2. Een gedeelte van de toegankelijkheidssector moet, afhankelijk van de grootte van het gebouw, opdat het gebouw mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers, zijn ingericht als bijzondere toegankelijkheidssector, die vanaf het aansluitende terrein rechtstreeks bereikbaar is.
3. In de bijzondere toegankelijkheidssector moet ten minste één verblijfsruimte en, afhankelijk van de bestemming van het gebouw, ten minste één toiletruimte aanwezig zijn.
4. In de bijzondere toegankelijkheidssector moeten voorts ten minste één badruimte en één kleedruimte aanwezig zijn, indien het een gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw betreft dat blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van sport.
5. Een hoogteverschil tussen ten minste één toegang van de bijzondere toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein mag niet groter zijn dan 1 m en moet, tenzij het hoogteverschil niet groter is dan 0,02 m, zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 178.
6. Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren van ruimten die deel uitmaken van de bijzondere toegankelijkheidssector, moet zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 178, of een lift.
7. De kooi van de lift, bedoeld in het zesde lid, moet een vrije vloeroppervlakte hebben van ten minste 1,05 m * 1,35 m.
2. Een gedeelte van de toegankelijkheidssector moet, afhankelijk van de grootte van het gebouw, opdat het gebouw mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers, zijn ingericht als bijzondere toegankelijkheidssector, die vanaf het aansluitende terrein rechtstreeks bereikbaar is.
3. In de bijzondere toegankelijkheidssector moet ten minste één verblijfsruimte en, afhankelijk van de bestemming van het gebouw, ten minste één toiletruimte aanwezig zijn.
4. In de bijzondere toegankelijkheidssector moeten voorts ten minste één badruimte en één kleedruimte aanwezig zijn, indien het een gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw betreft dat blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van sport.
5. Een hoogteverschil tussen ten minste één toegang van de bijzondere toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein mag niet groter zijn dan 1 m en moet, tenzij het hoogteverschil niet groter is dan 0,02 m, zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 178.
6. Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren van ruimten die deel uitmaken van de bijzondere toegankelijkheidssector, moet zijn overbrugd door een hellingbaan als bedoeld in artikel 178, of een lift.
7. De kooi van de lift, bedoeld in het zesde lid, moet een vrije vloeroppervlakte hebben van ten minste 1,05 m * 1,35 m.