BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 194
Bouwbesluit
1. De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht moet, ter beperking van geluidhinder in het verblijfsgebied, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig de Wet geluidhinder, en 35 dB(A), met een minimum van 20 dB(A).
2. In afwijking van het eerste lid moet, indien ingevolge de Wet geluidhinderin het verblijfsgebied een hogere geluidsbelasting dan 35 dB(A) is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 5077, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en de toegestane geluidsbelasting in dat gebied, met een minimum van 20 dB(A).
3. De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig NEN 5077, afhankelijk van de in de eerste kolom van tabel III gegeven geluidsbelasting van die constructie, bepaald overeenkomstig de Luchtvaartwet, ten minste gelijk zijn aan de bij die geluidsbelasting in de tweede kolom van die tabel gegeven waarde.
4. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gezondheidszorggebouw of een gedeelte daarvan, mede bestemd voor nachtverblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn, die de scheiding vormt tussen dat gebied en de buitenlucht, bepaald volgens NEN 5077, is ten minste gelijk aan het verschil tussen de L Aeqgeluidsbelasting, veroorzaakt door structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer, op die constructie en L Aeq26 dB(A); de L Aeqgeluidsbelasting in dB(A) buiten een gezondheidszorggebouw voor startend en landend vliegverkeer wordt berekend overeenkomstig de Regeling berekening nachtelijke geluidsbelasting, waarbij de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie onderscheiden naar startend en landend vliegverkeer (L gevel;m) gelijk wordt gesteld aan 0 dB(A).
5. Indien krachtens de Luchtvaartwetof artikel 108 van de Wet geluidhindereen andere dan de in het derde en het vierde lid gegeven eis ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie is gesteld, blijven het derde en het vierde lid buiten toepassing.
6. Indien op grond van het eerste tot en met het vijfde lid met betrekking tot een of meer soorten geluid tegelijkertijd verschillende eisen aan de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie zijn gesteld, geldt de zwaarste van de ingevolge die leden gestelde eisen.
7. Ten aanzien van een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied, zijn het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
8. De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie de scheiding vormt met de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan de waarde van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid, verminderd met 2 dB(A).
9. Ten aanzien van een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere verblijfsruimte, is het achtste lid van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid moet, indien ingevolge de Wet geluidhinderin het verblijfsgebied een hogere geluidsbelasting dan 35 dB(A) is toegestaan, de karakteristieke geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 5077, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en de toegestane geluidsbelasting in dat gebied, met een minimum van 20 dB(A).
3. De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig NEN 5077, afhankelijk van de in de eerste kolom van tabel III gegeven geluidsbelasting van die constructie, bepaald overeenkomstig de Luchtvaartwet, ten minste gelijk zijn aan de bij die geluidsbelasting in de tweede kolom van die tabel gegeven waarde.
4. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gezondheidszorggebouw of een gedeelte daarvan, mede bestemd voor nachtverblijf van patiënten die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid permanent of tijdelijk aan bed gebonden zijn, die de scheiding vormt tussen dat gebied en de buitenlucht, bepaald volgens NEN 5077, is ten minste gelijk aan het verschil tussen de L Aeqgeluidsbelasting, veroorzaakt door structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer, op die constructie en L Aeq26 dB(A); de L Aeqgeluidsbelasting in dB(A) buiten een gezondheidszorggebouw voor startend en landend vliegverkeer wordt berekend overeenkomstig de Regeling berekening nachtelijke geluidsbelasting, waarbij de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie onderscheiden naar startend en landend vliegverkeer (L gevel;m) gelijk wordt gesteld aan 0 dB(A).
5. Indien krachtens de Luchtvaartwetof artikel 108 van de Wet geluidhindereen andere dan de in het derde en het vierde lid gegeven eis ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van een in dat lid bedoelde uitwendige scheidingsconstructie is gesteld, blijven het derde en het vierde lid buiten toepassing.
6. Indien op grond van het eerste tot en met het vijfde lid met betrekking tot een of meer soorten geluid tegelijkertijd verschillende eisen aan de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie zijn gesteld, geldt de zwaarste van de ingevolge die leden gestelde eisen.
7. Ten aanzien van een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied, zijn het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
8. De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie de scheiding vormt met de buitenlucht, moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan de waarde van de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid, verminderd met 2 dB(A).
9. Ten aanzien van een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere verblijfsruimte, is het achtste lid van overeenkomstige toepassing.