BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 200
Bouwbesluit
1. Het dak moet, indien als gevolg van van het dak afstromend hemelwater bij het gebouw een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie kan optreden, ter voorkoming van die onaanvaardbare situatie, een voorziening hebben voor de opvang en afvoer van hemelwater, die kan worden aangesloten op het openbaar riool.
2. De voorziening voor hemelwater moet voor de opvang en afvoer van hemelwater een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
3. De voorziening voor hemelwater, voor zover die voorziening binnen het gebouw is gelegen, moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in het gebouw, lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
4. De voorziening voor hemelwater mag zijn samengevoegd met de voorziening voor afvalwater en faecaliën, tenzij de voorziening voor hemelwater kan worden aangesloten op het openbaar riool dat uitsluitend is bestemd voor de afvoer van hemelwater.
5. Indien toepassing is gegeven aan het vierde lid, moet de samengevoegde voorziening een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
2. De voorziening voor hemelwater moet voor de opvang en afvoer van hemelwater een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
3. De voorziening voor hemelwater, voor zover die voorziening binnen het gebouw is gelegen, moet, ter voorkoming van een voor de gezondheid onaanvaardbare situatie in het gebouw, lucht- en waterdicht zijn. Ten aanzien van de bepaling van de lucht- en waterdichtheid is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.
4. De voorziening voor hemelwater mag zijn samengevoegd met de voorziening voor afvalwater en faecaliën, tenzij de voorziening voor hemelwater kan worden aangesloten op het openbaar riool dat uitsluitend is bestemd voor de afvoer van hemelwater.
5. Indien toepassing is gegeven aan het vierde lid, moet de samengevoegde voorziening een capaciteit hebben die ten minste gelijk is aan de belasting van die voorziening. Ten aanzien van de bepaling van de belasting en de capaciteit is NEN 3215 van overeenkomstige toepassing.