BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 74
Bouwbesluit
1. Een vloer moet, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen, bij de randen zijn voorzien van een afscheiding waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, ten minste 0,9 m is.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag, indien de afscheiding zich bevindt ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,6 m.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 1 m boven een aangrenzende vloer dan wel boven het aansluitende terrein of water.
4. Tussen een vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,1 m.
5. Openingen in een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen niet breder zijn dan 0,2 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,6 m boven de vloer.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, mag, indien de afscheiding zich bevindt ter plaatse van een raam, zijn volstaan met een hoogte van ten minste 0,6 m.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 1 m boven een aangrenzende vloer dan wel boven het aansluitende terrein of water.
4. Tussen een vloer en een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mag, horizontaal gemeten, geen opening aanwezig zijn die breder is dan 0,1 m.
5. Openingen in een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen niet breder zijn dan 0,2 m, tenzij die openingen zich bevinden op een hoogte van meer dan 0,6 m boven de vloer.