BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 8
Bouwbesluit
1. In een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte moet, opdat op veilige wijze van die ruimte gebruik kan worden gemaakt, ten minste één verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die is aangesloten op de voorziening voor elektriciteit en die over de ten minste vereiste breedte van die ruimte, gemeten op de vloer van die ruimte, een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux kan geven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte gelegen trap of hellingbaan, alsmede op de kooi van een lift.
3. De verlichtingsinstallatie van de kooi van een lift is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, die binnen vijftien seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende ten minste zestig minuten een verlichtingssterkte kan geven van ten minste één lux.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een in een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte gelegen trap of hellingbaan, alsmede op de kooi van een lift.
3. De verlichtingsinstallatie van de kooi van een lift is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, die binnen vijftien seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende ten minste zestig minuten een verlichtingssterkte kan geven van ten minste één lux.