BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 236
Bouwbesluit
1. Een vluchtmogelijkheid moet, opdat snel en veilig kan worden gevlucht, een vrije doorgang hebben met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.
2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden moet, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 30 minuten zijn, tenzij vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 235, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht.
3. Onafhankelijke vluchtmogelijkheden mogen uitsluitend door middel van een zelfsluitende deur met elkaar in verbinding staan, tenzij vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 235, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht.
4. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtmogelijkheid voert, moeten niet-afsluitbare openingen aanwezig zijn waarmee een capaciteit voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook wordt bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 3netto-inhoud van die ruimte. Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing.
5. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte moeten één of meer toegangen hebben met een totale vrije doorgang van ten minste:
a. 1 mm per 0,9 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte;
b. 1 mm per 0,15 m2 vloeroppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, of
c. 1 mm per 0,15 m2 vloeroppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, vermeerderd met 1 mm per 0,9 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte.
6. Een rookcompartiment moet één of meer toegangen als bedoeld in artikel 235, eerste lid, hebben met een totale vrije doorgang die ten minste gelijk is aan de vrije doorgang, bedoeld in het vijfde lid, met dien verstande dat de vrije doorgang niet kleiner mag zijn dan:
a. 1 mm per 1,8 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte;
b. 1 mm per 0,27 m2 gebruiksoppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, of
c. 1 mm per 0,27 m2 gebruiksoppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, vermeerderd met 1 mm per 1,8 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte.
7. Een ruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert, moet, overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een opvangcapaciteit hebben als aangegeven in die voorschriften en moet, bepaald overeenkomstig die voorschriften, een bij die voorschriften aangegeven doorstroomcapaciteit hebben.
8. Het produkt van de permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 3.500 MJ. De vuurbelasting wordt bepaald volgens NEN 6090.
9. De deur van een toegang van een verblijfsgebied en van een verblijfsruimte als bedoeld in het zesde lid, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien:
a. het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte en 10 m2 meer is dan 25;
b. het quotiënt van de vloeroppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 1,5 m2 meer is dan 25, of
c. het quotiënt van de vloeroppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 1,5 m2, vermeerderd met het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte en 10 m2, meer is dan 25.
10. De deur van een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, en van een ruimte waardoor een vluchtweg voert, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien:
a. het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte en 20 m2 meer is dan 25;
b. het quotiënt van de gebruiksoppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 3 m2 meer is dan 25, of
c. het quotiënt van de gebruiksoppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 3 m2, vermeerderd met het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte en 20 m2, meer is dan 25.
11. Indien op grond van het negende lid de deur niet tegen de vluchtrichting in mag draaien, mag de deur, bedoeld in het tiende lid, evenmin tegen de vluchtrichting in draaien.
2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden moet, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 30 minuten zijn, tenzij vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 235, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht.
3. Onafhankelijke vluchtmogelijkheden mogen uitsluitend door middel van een zelfsluitende deur met elkaar in verbinding staan, tenzij vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 235, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht.
4. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtmogelijkheid voert, moeten niet-afsluitbare openingen aanwezig zijn waarmee een capaciteit voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook wordt bewerkstelligd van ten minste 6.10-3 m 3/s per m 3netto-inhoud van die ruimte. Ten aanzien van de bepaling van de capaciteit is NEN 1087 van overeenkomstige toepassing.
5. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte moeten één of meer toegangen hebben met een totale vrije doorgang van ten minste:
a. 1 mm per 0,9 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte;
b. 1 mm per 0,15 m2 vloeroppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, of
c. 1 mm per 0,15 m2 vloeroppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, vermeerderd met 1 mm per 0,9 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte.
6. Een rookcompartiment moet één of meer toegangen als bedoeld in artikel 235, eerste lid, hebben met een totale vrije doorgang die ten minste gelijk is aan de vrije doorgang, bedoeld in het vijfde lid, met dien verstande dat de vrije doorgang niet kleiner mag zijn dan:
a. 1 mm per 1,8 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte;
b. 1 mm per 0,27 m2 gebruiksoppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, of
c. 1 mm per 0,27 m2 gebruiksoppervlakte van een op die toegangen aangewezen toegankelijkheidssector, vermeerderd met 1 mm per 1,8 m2 van de op die toegangen aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte.
7. Een ruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert, moet, overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een opvangcapaciteit hebben als aangegeven in die voorschriften en moet, bepaald overeenkomstig die voorschriften, een bij die voorschriften aangegeven doorstroomcapaciteit hebben.
8. Het produkt van de permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 3.500 MJ. De vuurbelasting wordt bepaald volgens NEN 6090.
9. De deur van een toegang van een verblijfsgebied en van een verblijfsruimte als bedoeld in het zesde lid, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien:
a. het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte en 10 m2 meer is dan 25;
b. het quotiënt van de vloeroppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 1,5 m2 meer is dan 25, of
c. het quotiënt van de vloeroppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 1,5 m2, vermeerderd met het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen vloeroppervlakte en 10 m2, meer is dan 25.
10. De deur van een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, en van een ruimte waardoor een vluchtweg voert, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien:
a. het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte en 20 m2 meer is dan 25;
b. het quotiënt van de gebruiksoppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 3 m2 meer is dan 25, of
c. het quotiënt van de gebruiksoppervlakte van een op die toegang aangewezen toegankelijkheidssector en 3 m2, vermeerderd met het quotiënt van de op die toegang aangewezen, niet in een toegankelijkheidssector gelegen gebruiksoppervlakte en 20 m2, meer is dan 25.
11. Indien op grond van het negende lid de deur niet tegen de vluchtrichting in mag draaien, mag de deur, bedoeld in het tiende lid, evenmin tegen de vluchtrichting in draaien.