BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 39
Bouwbesluit
1. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied moet, met het oog op de toetreding van daglicht en het uitzicht naar buiten, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in NEN 2057, aanwezig zijn, die, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk is aan 10% van de vloeroppervlakte van het verblijfsgebied.
2. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 2057, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in die norm, van ten minste 0,5 m 2aanwezig zijn.
3. Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, voor zover die openingen, gemeten loodrecht op die openingen, zijn gelegen op een afstand van minder dan 2 m van de perceelsgrens, buiten beschouwing.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte moet de in rekening te brengen belemmeringshoek , bedoeld in NEN 2057, ten minste 25° zijn.
6. In afwijking in zoverre van het eerste of tweede lid, mag de equivalente daglichtoppervlakte zich bevinden in een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied of verblijfsruimte, indien die inwendige constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een toiletruimte, badruimte of bergruimte.
2. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsruimte moet, bepaald overeenkomstig NEN 2057, een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in die norm, van ten minste 0,5 m 2aanwezig zijn.
3. Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen die zich niet bevinden op het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, en daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, voor zover die openingen, gemeten loodrecht op die openingen, zijn gelegen op een afstand van minder dan 2 m van de perceelsgrens, buiten beschouwing.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid, mag, indien het perceel waarop de woning of het woongebouw is gelegen, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand zijn aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
5. Bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte moet de in rekening te brengen belemmeringshoek , bedoeld in NEN 2057, ten minste 25° zijn.
6. In afwijking in zoverre van het eerste of tweede lid, mag de equivalente daglichtoppervlakte zich bevinden in een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied of verblijfsruimte, indien die inwendige constructie niet de scheiding vormt met een ander verblijfsgebied of met een toiletruimte, badruimte of bergruimte.