BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 42
Bouwbesluit
1. Het hoogteverschil tussen ten minste één toegang van een woning en van een woongebouw en het aansluitende terrein of de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte is, opdat die woning mede door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en verlaten, ten hoogste 0,02 m.
Het hoogteverschil tussen een vloer van een woning of van een woongebouw en de buitenruimte is ten hoogste 0,02 m.
2. In of bij een woongebouw waarin de toegang van een woning hoger ligt dan 3 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw, is op elke bouwlaag van dat gebouw een opstelplaats voor een lift aanwezig. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift met een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
3. Een hoogteverschil tussen de toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en ten minste één toegang van het gebouw is, onverminderd artikel 4, overbrugd door een lift, indien:
a. de vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 12,5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het woongebouw, of
b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m 2die hoger ligt dan 1,5 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw.
In het woongebouw mag de afstand tussen de toegang van de lift en de toegang van een op die lift aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 90 m.
De kooi van de lift heeft een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
4. In een woongebouw met een lift mag geen groter hoogteverschil dan 0,02 m aanwezig zijn tussen de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte en de vloer van:
a. een liftkooi;
b. een andere gemeenschappelijke verkeersruimte, indien door die verkeersruimten vanaf de toegang van het woongebouw of vanaf de toegang van een woning de lift kan worden bereikt, en
c. een gemeenschappelijke toiletruimte.
Het hoogteverschil tussen een vloer van een woning of van een woongebouw en de buitenruimte is ten hoogste 0,02 m.
2. In of bij een woongebouw waarin de toegang van een woning hoger ligt dan 3 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw, is op elke bouwlaag van dat gebouw een opstelplaats voor een lift aanwezig. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift met een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
3. Een hoogteverschil tussen de toegang van een woning, gelegen in een woongebouw, en ten minste één toegang van het gebouw is, onverminderd artikel 4, overbrugd door een lift, indien:
a. de vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 12,5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het woongebouw, of
b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m 2die hoger ligt dan 1,5 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het woongebouw.
In het woongebouw mag de afstand tussen de toegang van de lift en de toegang van een op die lift aangewezen, op dezelfde bouwlaag gelegen woning, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 90 m.
De kooi van de lift heeft een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
4. In een woongebouw met een lift mag geen groter hoogteverschil dan 0,02 m aanwezig zijn tussen de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte en de vloer van:
a. een liftkooi;
b. een andere gemeenschappelijke verkeersruimte, indien door die verkeersruimten vanaf de toegang van het woongebouw of vanaf de toegang van een woning de lift kan worden bereikt, en
c. een gemeenschappelijke toiletruimte.