BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 122
Bouwbesluit
1. De in NEN 2778 bedoelde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte van een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen mag, ter beperking van vorming van allergenen, bepaald overeenkomstig die norm, niet lager zijn dan 0,65.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op in de in dat lid bedoelde scheidingsconstructie aanwezige kozijnen, alsmede op in die constructie aanwezige deuren en ramen of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen.
3. Een constructie die de scheiding vormt tussen een toiletruimte en een andere besloten ruimte of de buitenlucht mag, ter beperking van het vanuit de toiletruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de toiletruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1,2 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m 2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m 2.s½).
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een badruimte, met dien verstande dat ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte moet zijn aangehouden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op in de in dat lid bedoelde scheidingsconstructie aanwezige kozijnen, alsmede op in die constructie aanwezige deuren en ramen of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen.
3. Een constructie die de scheiding vormt tussen een toiletruimte en een andere besloten ruimte of de buitenlucht mag, ter beperking van het vanuit de toiletruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de toiletruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1,2 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m 2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m 2.s½).
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een badruimte, met dien verstande dat ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte moet zijn aangehouden.