BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 311
Bouwbesluit
1. In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben die is afgestemd op de bestemming en inrichting van die ruimte.
3. Onverminderd het tweede lid, moet, indien zich in een verblijfsruimte ten hoogste één opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, de capaciteit aan toevoer van verse lucht naar die ruimte en afvoer van binnenlucht uit die ruimte, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
4. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een badruimte.
5. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben die is afgestemd op de bestemming en inrichting van die ruimte.
3. Onverminderd het tweede lid, moet, indien zich in een verblijfsruimte ten hoogste één opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, de capaciteit aan toevoer van verse lucht naar die ruimte en afvoer van binnenlucht uit die ruimte, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
4. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een badruimte.
5. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.