BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 15
Bouwbesluit
1. In een woning moet zich, opdat bij brand vanuit de woning op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, tussen verblijfsruimten die niet op dezelfde bouwlaag zijn gelegen een inwendige scheidingsconstructie bevinden waarvan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 20 minuten is.
2. In een woning moet zich tussen een verblijfsruimte en een ruimte die is gelegen op een andere bouwlaag die niet grenst aan de bouwlaag waarop de verblijfsruimte is gelegen, een inwendige scheidingsconstructie bevinden waarvan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 20 minuten is.
3. In een woning moet zich in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte van waaruit het aansluitende terrein niet rechtstreeks kan worden bereikt door een of meer verkeersruimten waarvan de inwendige scheidingsconstructie met een verblijfsruimte, badruimte of bergruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, heeft van ten minste 20 minuten, ten minste één beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, waarvan de onderzijde niet hoger is gelegen dan 1 m boven de vloer van de verblijfsruimte en waarmee een opening kan worden bewerkstelligd waarvan de afmetingen in horizontale richting ten minste 0,5 m en in verticale richting ten minste 0,8 m zijn.
4. In afwijking van het derde lid, moet de verblijfsruimte waarvan een vloer hoger is gelegen dan 7 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van de woning of het woongebouw, wat brandveiligheid betreft zodanig zijn ingericht, dat vanuit die ruimte op gelijkwaardige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt als met dat lid is beoogd.
5. In afwijking in zoverre van het eerste tot en met derde lid, behoeft, indien zich in de inwendige scheidingsconstructie een deur bevindt, een onder de deur gelegen deel van die constructie met een oppervlakte van ten hoogste 0,018 m 2, van welk deel de bovenkant niet meer dan 0,05 m boven het vloeroppervlak is gelegen, niet aan de in die leden gestelde eisen te voldoen.
6. De kortste afstand tussen een in NEN 6061 bedoelde stookplaats en de verticale projectie van een trap waarmee een hoogteverschil is overbrugd tussen de vloer van de ruimte waarin die opstelplaats zich bevindt en de vloer van een hoger gelegen ruimte, mag niet minder zijn dan 1,5 m.
2. In een woning moet zich tussen een verblijfsruimte en een ruimte die is gelegen op een andere bouwlaag die niet grenst aan de bouwlaag waarop de verblijfsruimte is gelegen, een inwendige scheidingsconstructie bevinden waarvan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, ten minste 20 minuten is.
3. In een woning moet zich in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte van waaruit het aansluitende terrein niet rechtstreeks kan worden bereikt door een of meer verkeersruimten waarvan de inwendige scheidingsconstructie met een verblijfsruimte, badruimte of bergruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bepaald overeenkomstig NEN 6068, heeft van ten minste 20 minuten, ten minste één beweegbaar constructie-onderdeel bevinden, waarvan de onderzijde niet hoger is gelegen dan 1 m boven de vloer van de verblijfsruimte en waarmee een opening kan worden bewerkstelligd waarvan de afmetingen in horizontale richting ten minste 0,5 m en in verticale richting ten minste 0,8 m zijn.
4. In afwijking van het derde lid, moet de verblijfsruimte waarvan een vloer hoger is gelegen dan 7 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van de woning of het woongebouw, wat brandveiligheid betreft zodanig zijn ingericht, dat vanuit die ruimte op gelijkwaardige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt als met dat lid is beoogd.
5. In afwijking in zoverre van het eerste tot en met derde lid, behoeft, indien zich in de inwendige scheidingsconstructie een deur bevindt, een onder de deur gelegen deel van die constructie met een oppervlakte van ten hoogste 0,018 m 2, van welk deel de bovenkant niet meer dan 0,05 m boven het vloeroppervlak is gelegen, niet aan de in die leden gestelde eisen te voldoen.
6. De kortste afstand tussen een in NEN 6061 bedoelde stookplaats en de verticale projectie van een trap waarmee een hoogteverschil is overbrugd tussen de vloer van de ruimte waarin die opstelplaats zich bevindt en de vloer van een hoger gelegen ruimte, mag niet minder zijn dan 1,5 m.