BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 359
Bouwbesluit
1. Een in NEN 6702 bedoelde uiterste grenstoestand van een bouwconstructie mag, opdat die constructie duurzaam bestand is tegen de daarop werkende krachten, bij de in die norm bedoelde fundamentele belastingscombinaties niet zijn overschreden.
2. Onverminderd het eerste lid, mag een uiterste grenstoestand van een in NEN 6072 bedoelde bouwconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties niet zijn overschreden.
3. Onverminderd het eerste lid, mag, ter voorkoming van voortschrijdende instorting, een in dat lid bedoelde uiterste grenstoestand van de in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties, met uitzondering van de combinaties met brand, niet zijn overschreden.
4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moet voor de bepaling van de in die leden bedoelde belastingscombinaties, indien NEN 6702 daarin niet voorziet, zijn uitgegaan van NEN 6700.
5. De krachtsverdeling in een bouwconstructie, die voortvloeit uit de ingevolge het eerste tot en met derde lid aan te houden belastingscombinaties, mag niet hoger zijn dan de capaciteit aan draagvermogen van die constructie, bepaald overeenkomstig:
a. NEN 6710 en 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal;
b. NEN 6720 en NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld steenachtig materiaal;
c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld hout;
d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld glas, en
e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de in die norm bedoelde bevestiging van dakbedekking is.
6. Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het vijfde lid is bedoeld, moet het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.
7. Onverminderd het derde lid, moeten de hoofddraagconstructie, een vloer en een trap van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, afhankelijk van de bestemming en inrichting van dat bouwwerk, zodanig zijn dat bij brand dat bouwwerk binnen redelijke tijd kan worden verlaten zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie, de vloer of de trap.
2. Onverminderd het eerste lid, mag een uiterste grenstoestand van een in NEN 6072 bedoelde bouwconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties niet zijn overschreden.
3. Onverminderd het eerste lid, mag, ter voorkoming van voortschrijdende instorting, een in dat lid bedoelde uiterste grenstoestand van de in NEN 6702 bedoelde hoofddraagconstructie bij de in die norm bedoelde bijzondere belastingscombinaties, met uitzondering van de combinaties met brand, niet zijn overschreden.
4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moet voor de bepaling van de in die leden bedoelde belastingscombinaties, indien NEN 6702 daarin niet voorziet, zijn uitgegaan van NEN 6700.
5. De krachtsverdeling in een bouwconstructie, die voortvloeit uit de ingevolge het eerste tot en met derde lid aan te houden belastingscombinaties, mag niet hoger zijn dan de capaciteit aan draagvermogen van die constructie, bepaald overeenkomstig:
a. NEN 6710 en 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld metaal;
b. NEN 6720 en NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die normen bedoeld steenachtig materiaal;
c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld hout;
d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van in die norm bedoeld glas, en
e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de in die norm bedoelde bevestiging van dakbedekking is.
6. Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan in het vijfde lid is bedoeld, moet het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie zijn bepaald overeenkomstig NEN 6700.
7. Onverminderd het derde lid, moeten de hoofddraagconstructie, een vloer en een trap van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, afhankelijk van de bestemming en inrichting van dat bouwwerk, zodanig zijn dat bij brand dat bouwwerk binnen redelijke tijd kan worden verlaten zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie, de vloer of de trap.