BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 51
Bouwbesluit
1. In een woning of woongebouw waarin een lift aanwezig is, moet, met het oog op het doelmatig functioneren van die lift, een besloten ruimte (liftschacht) aanwezig zijn.
2. Een uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.
3. De vloer van een liftschacht mag niet hoger zijn gelegen dan:
a. 1,4 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of
b. 1,6 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.
4. Het plafond van een liftschacht mag niet lager zijn gelegen dan:
a. 3,6 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of
b. 3,8 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.
5. In de liftschacht mogen geen leidingen of installaties aanwezig zijn die niet voor de werking of veiligheid van de lift vereist zijn.
2. Een uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht moet, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.
3. De vloer van een liftschacht mag niet hoger zijn gelegen dan:
a. 1,4 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of
b. 1,6 m onder de vloer ter plaatse van de laagstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de laagste en hoogste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.
4. Het plafond van een liftschacht mag niet lager zijn gelegen dan:
a. 3,6 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft niet groter is dan 50 m, of
b. 3,8 m boven de vloer ter plaatse van de hoogstgelegen vloer waartoe de lift toegang geeft, indien het hoogteverschil tussen de hoogste en laagste vloer waartoe de lift toegang geeft groter is dan 50 m.
5. In de liftschacht mogen geen leidingen of installaties aanwezig zijn die niet voor de werking of veiligheid van de lift vereist zijn.