BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 260
Bouwbesluit
1. Een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 259, derde tot en met vijfde lid, moet zijn gelegen aan het aansluitende terrein of aan een ruimte waardoor twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden voeren.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de toegang zijn gelegen aan een ruimte waardoor één vluchtmogelijkheid voert, indien:
a. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of
c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is die uitsluitend voert door een verkeersruimte waarin een trap is gelegen en een vloer van een verblijfsgebied niet hoger is gelegen dan 6 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het logiesgebouw.
3. Op een vluchtweg als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, met uitzondering van een vluchtweg die voert door een veiligheidstrappehuis, mag ten hoogste 500 m 2gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten zijn aangewezen.
4. In een logiesgebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 6 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet ten minste één vluchtmogelijkheid als bedoeld in het eerste lid, voeren door een veiligheidstrappehuis.
5. De afstand tussen een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in het eerste lid, en een toegang van het logiesgebouw mag, indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, onderdeel aof c, gemeten langs de kortste route, ten hoogste 20 m zijn.
6. De in NEN 6075 bedoelde weerstand tegen rookdoorgang tussen een verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert en een verkeersruimte waarvan de vloer hoger is gelegen dan 2 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het logiesgebouw, moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 30 minuten zijn.
7. Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt in een constructie die de scheiding vormt tussen de ruimten bedoeld in het zesde lid, moet zelfsluitend zijn.
8. Een verkeersruimte waarin trappen zijn gelegen waarmee een hoogteverschil van ten minste 8 m is overbrugd, moet voldoen aan de eisen voor een vluchtweg.
9. Ten aanzien van het vluchten uit een logiesverblijf is artikel 15 van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de toegang zijn gelegen aan een ruimte waardoor één vluchtmogelijkheid voert, indien:
a. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of
c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is die uitsluitend voert door een verkeersruimte waarin een trap is gelegen en een vloer van een verblijfsgebied niet hoger is gelegen dan 6 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het logiesgebouw.
3. Op een vluchtweg als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, met uitzondering van een vluchtweg die voert door een veiligheidstrappehuis, mag ten hoogste 500 m 2gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten zijn aangewezen.
4. In een logiesgebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 6 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet ten minste één vluchtmogelijkheid als bedoeld in het eerste lid, voeren door een veiligheidstrappehuis.
5. De afstand tussen een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in het eerste lid, en een toegang van het logiesgebouw mag, indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, onderdeel aof c, gemeten langs de kortste route, ten hoogste 20 m zijn.
6. De in NEN 6075 bedoelde weerstand tegen rookdoorgang tussen een verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert en een verkeersruimte waarvan de vloer hoger is gelegen dan 2 m boven de vloer ter plaatse van de toegang van het logiesgebouw, moet, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 30 minuten zijn.
7. Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt in een constructie die de scheiding vormt tussen de ruimten bedoeld in het zesde lid, moet zelfsluitend zijn.
8. Een verkeersruimte waarin trappen zijn gelegen waarmee een hoogteverschil van ten minste 8 m is overbrugd, moet voldoen aan de eisen voor een vluchtweg.
9. Ten aanzien van het vluchten uit een logiesverblijf is artikel 15 van overeenkomstige toepassing.