BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 228
Bouwbesluit
1. Het totaal aan:
a. uitwendige scheidingsconstructies van een verwarmd gebouw;
b. inwendige scheidingsconstructies tussen een verwarmd gebouw en een niet in dat gebouw gelegen ruimte, en
c. constructies, die de scheiding vormen tussen een verwarmd gebouw en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructies aansluitende delen van andere constructies, mag, ter beperking van warmteverlies door tocht, bepaald overeenkomstig NEN 2686, geen grotere luchtvolumestroom als bedoeld in die norm, hebben dan 0,2 m3/s.
2. Bij de bepaling van de luchtvolumestroom mogen ruimten, niet zijnde een verblijfsgebied, toilet- of badruimte, buiten beschouwing blijven.
3. Bij de bepaling van de luchtvolumestroom blijft voorts buiten beschouwing een ruimte, waarin zich een niet-afsluitbare opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht bevindt, die een volgens NEN 1087, bepaalde capaciteit heeft van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2gebruiksoppervlakte van die ruimte.
a. uitwendige scheidingsconstructies van een verwarmd gebouw;
b. inwendige scheidingsconstructies tussen een verwarmd gebouw en een niet in dat gebouw gelegen ruimte, en
c. constructies, die de scheiding vormen tussen een verwarmd gebouw en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructies aansluitende delen van andere constructies, mag, ter beperking van warmteverlies door tocht, bepaald overeenkomstig NEN 2686, geen grotere luchtvolumestroom als bedoeld in die norm, hebben dan 0,2 m3/s.
2. Bij de bepaling van de luchtvolumestroom mogen ruimten, niet zijnde een verblijfsgebied, toilet- of badruimte, buiten beschouwing blijven.
3. Bij de bepaling van de luchtvolumestroom blijft voorts buiten beschouwing een ruimte, waarin zich een niet-afsluitbare opening van de voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht bevindt, die een volgens NEN 1087, bepaalde capaciteit heeft van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2gebruiksoppervlakte van die ruimte.