BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 360
Bouwbesluit
1. Een vloer moet, ter voorkoming van het van die vloer kunnen vallen, bij de randen zijn voorzien van een afscheiding waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, ten minste 1 m is.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet, indien de vloer hoger is gelegen dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water, de hoogte van de afscheiding ten minste 1,2 m zijn.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan, een laadvloer en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 0,6 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water.
4. In een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen geen verticale openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,5 m.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, moet, indien de vloer hoger is gelegen dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water, de hoogte van de afscheiding ten minste 1,2 m zijn.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vloer ter plaatse van de bovenste trede van een trap of ter plaatse van de bovenkant van een hellingbaan, een laadvloer en op een vloer die niet hoger is gelegen dan 0,6 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of water.
4. In een afscheiding als bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen geen verticale openingen aanwezig zijn die breder zijn dan 0,5 m.