BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 177
Bouwbesluit
1. De afmetingen van een trap als bedoeld in artikel 176, moeten ten minste voldoen aan kolom B van tabel II, of, indien de trap geen deel uitmaakt van een toegankelijkheidssector, aan kolom A van die tabel.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de trap die is bestemd voor het ontsluiten van een gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m 2, waarin geen toegankelijkheidssector is gelegen, voldoen aan kolom A van tabel II.
3. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
4. Een trap die voldoet aan kolom B van tabel II, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
5. Een trap die moet voldoen aan kolom A van tabel II, en een trap als bedoeld in het tweede lid, moeten ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m * 0,8 m.
6. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 0,6 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 0,6 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,8 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
7. Op een afscheiding als bedoeld in het zesde lid, is artikel 175, vijfde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Een trap als bedoeld in het zesde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning, met dien verstande dat, indien die trap geen deel uitmaakt van een toegankelijkheidssector, mag zijn volstaan met een leuning aan één zijkant.
9. De bovenkant van een leuning als bedoeld in het achtste lid, moet zijn gelegen op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
10. Een trap die is bestemd voor het ontsluiten van een verblijfsgebied, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, gemeten vanaf het aansluitende terrein of een aangrenzende vloer, moet zijn gelegen in een besloten ruimte waarvan de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend is.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de trap die is bestemd voor het ontsluiten van een gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m 2, waarin geen toegankelijkheidssector is gelegen, voldoen aan kolom A van tabel II.
3. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
4. Een trap die voldoet aan kolom B van tabel II, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
5. Een trap die moet voldoen aan kolom A van tabel II, en een trap als bedoeld in het tweede lid, moeten ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m * 0,8 m.
6. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 0,6 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 0,6 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,8 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
7. Op een afscheiding als bedoeld in het zesde lid, is artikel 175, vijfde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Een trap als bedoeld in het zesde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning, met dien verstande dat, indien die trap geen deel uitmaakt van een toegankelijkheidssector, mag zijn volstaan met een leuning aan één zijkant.
9. De bovenkant van een leuning als bedoeld in het achtste lid, moet zijn gelegen op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
10. Een trap die is bestemd voor het ontsluiten van een verblijfsgebied, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, gemeten vanaf het aansluitende terrein of een aangrenzende vloer, moet zijn gelegen in een besloten ruimte waarvan de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend is.