BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 362
Bouwbesluit
1. De afmetingen van een trap als bedoeld in artikel 361, moeten ten minste voldoen aan kolom B van tabel II.
2. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
3. Een trap als bedoeld in het eerste lid, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
4. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, en waarmee een hoogteverschil van meer dan 0,6 m is overbrugd, moet aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning.
5. De bovenkant van een leuning als bedoeld in het vierde lid, moet zijn gelegen op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
2. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
3. Een trap als bedoeld in het eerste lid, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
4. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, en waarmee een hoogteverschil van meer dan 0,6 m is overbrugd, moet aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning.
5. De bovenkant van een leuning als bedoeld in het vierde lid, moet zijn gelegen op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.