BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 162
Bouwbesluit
1. In een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte moet, ter beperking van het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht, een voorziening aanwezig zijn voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m 3/s.
3. Onverminderd het tweede lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
4. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
5. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
6. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.
2. De voorziening voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en voor de afvoer van binnenlucht uit die ruimte moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m 3/s.
3. Onverminderd het tweede lid, moet, indien in de verblijfsruimte een opstelplaats voor een kooktoestel is gelegen, de in dat lid bedoelde capaciteit ten minste 21.10-3 m 3/s zijn, met dien verstande dat de afvoer van die capaciteit rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden.
4. De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht moet, bepaald overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften, een capaciteit hebben van ten minste:
a. 7.10-3 m3/s voor een toiletruimte, en
b. 14.10-3 m3/s voor een al of niet met een toiletruimte samengevoegde badruimte.
5. De afvoer van binnenlucht, bedoeld in het vierde lid, moet rechtstreeks naar buiten plaatsvinden.
6. In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen moeten, opdat sterk verontreinigde binnenlucht snel kan worden afgevoerd, beweegbare constructie-onderdelen aanwezig zijn waarmee, bepaald overeenkomstig NEN 1087, in een verblijfsruimte een capaciteit voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van binnenlucht kan worden bewerkstelligd van ten minste 3.10-3 m 3/s per m 2vloeroppervlakte van die ruimte.