BWBR0005321
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 5
Bouwbesluit
1. De afmetingen van een trap als bedoeld in artikel 4, moeten ten minste voldoen aan kolom A van tabel II, of, indien de trap is bestemd voor het ontsluiten van een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m 2dan wel voor het ontsluiten van een woongebouw of van de in dat gebouw gelegen woningen, aan kolom B van die tabel.
Tabel II Afmetingen van een trap
[tabel]
2. In afwijking van het eerste lid, mag de trap die is bestemd voor het ontsluiten van woningen met een gezamenlijke gebruiksoppervlakte van ten hoogste 270 m 2, voldoen aan kolom A van tabel II.
3. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
4. Een trap die voldoet aan kolom A van tabel II en een trap als bedoeld in het tweede lid, moeten ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m * 0,8 m.
5. Een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
6. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 0,6 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 0,6 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,8 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
7. Op een afscheiding als bedoeld in het zesde lid, is artikel 3, vijfde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Een trap als bedoeld in het zesde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan ten minste één zijkant zijn voorzien van een leuning waarvan de bovenkant zich bevindt op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
9. In afwijking in zoverre van het achtste lid, moet een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning als bedoeld in dat lid.
10. Een trap die is bestemd voor het ontsluiten van een woning of woongebouw en waarmee, gemeten vanaf het aansluitende terrein of een aangrenzende vloer, een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, moet zijn gelegen in een besloten ruimte waarvan de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend is.
Tabel II Afmetingen van een trap
[tabel]
2. In afwijking van het eerste lid, mag de trap die is bestemd voor het ontsluiten van woningen met een gezamenlijke gebruiksoppervlakte van ten hoogste 270 m 2, voldoen aan kolom A van tabel II.
3. Onverminderd het eerste lid, mag de som van een aantrede en twee optreden, gemeten ter plaatse van de klimlijn, ten hoogste 0,7 m, doch niet minder dan 0,57 m zijn.
4. Een trap die voldoet aan kolom A van tabel II en een trap als bedoeld in het tweede lid, moeten ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m * 0,8 m.
5. Een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m * 1,1 m.
6. Een trap als bedoeld in het eerste lid, waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 0,6 m, moet aan beide zijkanten vanaf een hoogte van 0,6 m zijn voorzien van een afscheiding met een hoogte van ten minste 0,8 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
7. Op een afscheiding als bedoeld in het zesde lid, is artikel 3, vijfde tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Een trap als bedoeld in het zesde lid, waarvan de klimlijn een helling heeft die groter is dan 2:3, moet aan ten minste één zijkant zijn voorzien van een leuning waarvan de bovenkant zich bevindt op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m boven de voorkant van de tredevlakken van de trap.
9. In afwijking in zoverre van het achtste lid, moet een trap die moet voldoen aan kolom B van tabel II, aan beide zijkanten zijn voorzien van een leuning als bedoeld in dat lid.
10. Een trap die is bestemd voor het ontsluiten van een woning of woongebouw en waarmee, gemeten vanaf het aansluitende terrein of een aangrenzende vloer, een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, moet zijn gelegen in een besloten ruimte waarvan de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald overeenkomstig NEN 2778, ten minste regenwerend is.