BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.75
Regeling toelatingseisen
1. Het markeringsbord moet:
a. loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht en zich in een verticale stand bevinden met een tolerantie van plus of min 5°;
b. zodanig zijn aangebracht dat: 1º indien één markeringsbord volgens model 1 of 4 wordt toegepast, de verticale middellijn van de markering in het mediaanlangsvlak van het voertuig ligt;
2º indien twee of vier markeringsborden worden toegepast, deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanlangsvlak van het voertuig liggen.
1º indien één markeringsbord volgens model 1 of 4 wordt toegepast, de verticale middellijn van de markering in het mediaanlangsvlak van het voertuig ligt;
2º indien twee of vier markeringsborden worden toegepast, deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanlangsvlak van het voertuig liggen.
2. De onderzijde van het markeringsbord moet horizontaal zijn gelegen en mag zich op niet minder dan 0,35 m boven het wegdek bevinden.
3. De bovenzijde van het markeringsbord mag zich op:
a. indien de langste zijde horizontaal is aangebracht, niet meer dan 1,70 m boven het wegdek bevinden, en
b. indien de langste zijde verticaal is aangebracht, niet meer dan 2,20 m boven het wegdek bevinden.
4. De buitenste zijkant van het markeringsbord mag zich op niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig bevinden.
5. Het markeringsbord mag in breedterichting van het voertuig niet uitsteken buiten het voertuigdeel waarop het is bevestigd.
6. Het markeringsbord moet op een afstand van ten hoogste 0,60 m van het achterste punt van het voertuig zijn aangebracht.
a. loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht en zich in een verticale stand bevinden met een tolerantie van plus of min 5°;
b. zodanig zijn aangebracht dat: 1º indien één markeringsbord volgens model 1 of 4 wordt toegepast, de verticale middellijn van de markering in het mediaanlangsvlak van het voertuig ligt;
2º indien twee of vier markeringsborden worden toegepast, deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanlangsvlak van het voertuig liggen.
1º indien één markeringsbord volgens model 1 of 4 wordt toegepast, de verticale middellijn van de markering in het mediaanlangsvlak van het voertuig ligt;
2º indien twee of vier markeringsborden worden toegepast, deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanlangsvlak van het voertuig liggen.
2. De onderzijde van het markeringsbord moet horizontaal zijn gelegen en mag zich op niet minder dan 0,35 m boven het wegdek bevinden.
3. De bovenzijde van het markeringsbord mag zich op:
a. indien de langste zijde horizontaal is aangebracht, niet meer dan 1,70 m boven het wegdek bevinden, en
b. indien de langste zijde verticaal is aangebracht, niet meer dan 2,20 m boven het wegdek bevinden.
4. De buitenste zijkant van het markeringsbord mag zich op niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig bevinden.
5. Het markeringsbord mag in breedterichting van het voertuig niet uitsteken buiten het voertuigdeel waarop het is bevestigd.
6. Het markeringsbord moet op een afstand van ten hoogste 0,60 m van het achterste punt van het voertuig zijn aangebracht.