BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 7.77
Regeling toelatingseisen
1. De reminrichting van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 april 1990, moet tevens voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energie-reserve bezitten waardoor het driewielig motorrijtuig voldoet aan het bepaalde in artikel 7.72, eerste lid, 7.74en 7.75, tweede lid.
3. Voorzieningen die niet behoren tot de bedrijfsrem, de hulprem of de parkeerrem, mogen alleen door middel van een overstroomklep of een vergelijkbare automatisch werkende inrichting op het voorraadreservoir zijn aangesloten.
4. De in het derde lid bedoelde klep of inrichting moet zo dicht mogelijk bij het voorraadreservoir zijn aangebracht en moet zodanig zijn afgesteld dat de druk in het voorraadreservoir, bij uitvallen van één van de daarop aangesloten voorzieningen niet op gevaarlijke wijze kan verminderen.
2. Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energie-reserve bezitten waardoor het driewielig motorrijtuig voldoet aan het bepaalde in artikel 7.72, eerste lid, 7.74en 7.75, tweede lid.
3. Voorzieningen die niet behoren tot de bedrijfsrem, de hulprem of de parkeerrem, mogen alleen door middel van een overstroomklep of een vergelijkbare automatisch werkende inrichting op het voorraadreservoir zijn aangesloten.
4. De in het derde lid bedoelde klep of inrichting moet zo dicht mogelijk bij het voorraadreservoir zijn aangebracht en moet zodanig zijn afgesteld dat de druk in het voorraadreservoir, bij uitvallen van één van de daarop aangesloten voorzieningen niet op gevaarlijke wijze kan verminderen.