BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 7.53
Regeling toelatingseisen
1. De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen na 26 november doch vóór 1 april 1995 moet, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij een uitgeoefende kracht van niet meer dan 200 N bij gebruik van een remhandel en niet meer dan 500 N bij gebruik van een rempedaal:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s², en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s²;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s²;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s², bedragen.
2. De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s² bedragen.
3. De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s², en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s²;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s²;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s², bedragen.
2. De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s² bedragen.
3. De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.