BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.17
Regeling toelatingseisen
1. De rechterbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 september 1988, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 4,00 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 7.
2. De rechterbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1988, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 8.
2. De rechterbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1988, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 8.