BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.55
Regeling toelatingseisen
1. Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 mei 1997 en voorzien van meer dan drie assen, zijn achter de voorste as aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming waarop de bepalingen ten aanzien van bedrijfsauto's in paragraaf 6.1van overeenkomstige toepassing zijn, indien:
a. de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m. doch niet meer dan: 1o. 0,75 m tussen starre assen;
2o. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
3o. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
1o. 0,75 m tussen starre assen;
2o. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
3o. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
b. de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het achterste wiel en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig meer bedraagt dan 0,30 meter, of in het geval van een gestuurd of bestuurd wiel, meer bedraagt dan 0,50 m.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn de in het eerste lid genoemde voertuigen achter de voorste as en voor de achterste as aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming die voldoet aan richtlijn 89/297/EEG, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan:
a. 0,75 m tussen starre assen;
b. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
c. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
3. De lengte van de zijdelingse afscherming bedraagt tenminste 0,2 m.
a. de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m. doch niet meer dan: 1o. 0,75 m tussen starre assen;
2o. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
3o. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
1o. 0,75 m tussen starre assen;
2o. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
3o. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
b. de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het achterste wiel en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig meer bedraagt dan 0,30 meter, of in het geval van een gestuurd of bestuurd wiel, meer bedraagt dan 0,50 m.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn de in het eerste lid genoemde voertuigen achter de voorste as en voor de achterste as aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming die voldoet aan richtlijn 89/297/EEG, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan:
a. 0,75 m tussen starre assen;
b. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
c. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
3. De lengte van de zijdelingse afscherming bedraagt tenminste 0,2 m.