BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 7.96
Regeling toelatingseisen
1. Een bedrijfsrem waarbij geheel of gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt van druklucht moet voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De bedrijfsrem moet zijn voorzien van de volgende drukmeetpunten:
a. drukmeetpunten waarmee de druk die wordt ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk voor elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.
3. De voorraadreservoirs van de bedrijfsrem moeten een totale inhoud hebben die gelijk is aan “n” vermenigvuldigd met het verbruiksvolume van remleidingen, remcylinders en overige apparatuur.
De factor “n” bedraagt:
a. 7–12, bij een éénleiding-drukluchtremsysteem;
b. 4–9, bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem;
c. 5–8 bij een éénleiding-vacuümremsysteem;
d. 4–6 bij een tweeleiding-vacuümremsysteem;
4. Aan het derde lid wordt voldaan als de drukverandering in de voorraadreservoirs bij één volledige remming zich bevindt tussen:
a. 0,38 en 0,55 bar bij een éénleiding-drukluchtremsysteem (werkdruk 4,5 bar);
b. 0,60 en 1,20 bar bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem (werkdruk 6 bar);
c. 0,03 en 0,05 bar bij een éénleiding-vacuümremsysteem (werkdruk 0,3 bar);
d. 0,04 en 0,08 bar bij een tweeleiding-vacuümremsysteem (werkdruk 0,3 bar).
5. Indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen of de som van de aslasten van de oplegger meer bedraagt dan 3500 kg moet een snelremklep aanwezig zijn.
6. Indien het remsysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 30 september 1974 doch vóór 1 oktober 1975 is uitgevoerd als drukluchtsysteem, moet dit systeem bestaan uit twee of meer leidingen, en moet aan de in richtlijn 71/320/EEGgestelde eisen worden voldaan.
2. De bedrijfsrem moet zijn voorzien van de volgende drukmeetpunten:
a. drukmeetpunten waarmee de druk die wordt ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk voor elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.
3. De voorraadreservoirs van de bedrijfsrem moeten een totale inhoud hebben die gelijk is aan “n” vermenigvuldigd met het verbruiksvolume van remleidingen, remcylinders en overige apparatuur.
De factor “n” bedraagt:
a. 7–12, bij een éénleiding-drukluchtremsysteem;
b. 4–9, bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem;
c. 5–8 bij een éénleiding-vacuümremsysteem;
d. 4–6 bij een tweeleiding-vacuümremsysteem;
4. Aan het derde lid wordt voldaan als de drukverandering in de voorraadreservoirs bij één volledige remming zich bevindt tussen:
a. 0,38 en 0,55 bar bij een éénleiding-drukluchtremsysteem (werkdruk 4,5 bar);
b. 0,60 en 1,20 bar bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem (werkdruk 6 bar);
c. 0,03 en 0,05 bar bij een éénleiding-vacuümremsysteem (werkdruk 0,3 bar);
d. 0,04 en 0,08 bar bij een tweeleiding-vacuümremsysteem (werkdruk 0,3 bar).
5. Indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen of de som van de aslasten van de oplegger meer bedraagt dan 3500 kg moet een snelremklep aanwezig zijn.
6. Indien het remsysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 30 september 1974 doch vóór 1 oktober 1975 is uitgevoerd als drukluchtsysteem, moet dit systeem bestaan uit twee of meer leidingen, en moet aan de in richtlijn 71/320/EEGgestelde eisen worden voldaan.