BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.41
Regeling toelatingseisen
1. De beschermingsinrichting moet zover mogelijk achterwaarts doch niet meer dan 0,60 m voor de achterzijde van het voertuig zijn gelegen, waarbij voertuigdelen die zich op meer dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten.
2. De beschermingsinrichting kan worden gevormd door een werk- of apparatuurkast die over de gehele breedte van het voertuig is aangebracht, of een laadklep dan wel door een afzonderlijk aangebrachte stootbalk die is bevestigd aan de langsliggers of wat deze vervangt eventueel met behulp van verbindingsstukken.
3. In afwijking van het tweede lid mag, indien het voertuig is voorzien van een sturende as of asstel aan de achterzijde en het om constructieve redenen niet mogelijk is de stootbalk aan de langsliggers te monteren, de stootbalk aan de achterzijde van de as of asstel zijn bevestigd.
2. De beschermingsinrichting kan worden gevormd door een werk- of apparatuurkast die over de gehele breedte van het voertuig is aangebracht, of een laadklep dan wel door een afzonderlijk aangebrachte stootbalk die is bevestigd aan de langsliggers of wat deze vervangt eventueel met behulp van verbindingsstukken.
3. In afwijking van het tweede lid mag, indien het voertuig is voorzien van een sturende as of asstel aan de achterzijde en het om constructieve redenen niet mogelijk is de stootbalk aan de langsliggers te monteren, de stootbalk aan de achterzijde van de as of asstel zijn bevestigd.