BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.6
Regeling toelatingseisen
1. Geen deel van de rugleuning van een naast de bestuurderszitplaats aanwezige zitplaats, welke ten opzichte van de bestuurderszitplaats naar voren is geplaatst, mag zich voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig 80 mm achter het in artikel 8.3gedefinieerde punt V bevinden.
2. Geen deel van de rugleuning van een naast de bestuurderszitplaats aanwezige zitplaats, welke ten opzichte van de bestuurderszitplaats naar achteren is geplaatst, mag zich voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig door het in artikel 8.3gedefinieerde punt V bevinden.
2. Geen deel van de rugleuning van een naast de bestuurderszitplaats aanwezige zitplaats, welke ten opzichte van de bestuurderszitplaats naar achteren is geplaatst, mag zich voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig door het in artikel 8.3gedefinieerde punt V bevinden.