BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.69
Regeling toelatingseisen
1. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De achterlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet meer dan 1,50 m boven het wegdek.
3. De remlichten moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het remlicht dan wel de remlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
5. De markeringslichten moeten zo hoog mogelijk en zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig zijn aangebracht.
6. De niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten:
a. in de lengterichting als volgt zijn aangebracht: 1º ten minste één retroreflector moet zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
2º de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen;
3º de afstand van de voorste retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
4º de afstand van de achterste retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
1º ten minste één retroreflector moet zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
2º de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen;
3º de afstand van de voorste retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
4º de afstand van de achterste retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
b. zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de niet-driehoekige retroreflectoren op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7. De markeringsborden moeten worden aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.75.
a. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De achterlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet meer dan 1,50 m boven het wegdek.
3. De remlichten moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het remlicht dan wel de remlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
5. De markeringslichten moeten zo hoog mogelijk en zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig zijn aangebracht.
6. De niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten:
a. in de lengterichting als volgt zijn aangebracht: 1º ten minste één retroreflector moet zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
2º de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen;
3º de afstand van de voorste retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
4º de afstand van de achterste retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
1º ten minste één retroreflector moet zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
2º de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen;
3º de afstand van de voorste retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
4º de afstand van de achterste retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
b. zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de niet-driehoekige retroreflectoren op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7. De markeringsborden moeten worden aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.75.