BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 2.3
Regeling toelatingseisen
1. Behoudens het bepaalde in artikel 2.2vindt de keuring met betrekking tot de onderstaande artikelen of leden van artikelen van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglementtevens plaats op de navolgende wijze:
a. artikel 3.5.7: indien het stuurwiel verstelbaar is uitgevoerd moet bij de meting worden uitgegaan van de meest naar de achterzijde van het voertuig gelegen stand van het stuurwiel;
b. artikelen 3.3.6, tweede lid, 3.3.8 en 3.7.6, tweede lid: een rijproef of een gesimuleerde rijproef moet worden uitgevoerd dan wel een berekening vindt plaats. In geval van een aanhangwagen moet dit geschieden met een passend trekkend motorrijtuig.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing:
a. op opleggers: 1º uitgevoerd met uitsluitend één starre as en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
2º uitgevoerd met uitsluitend meerdere starre assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van assen niet meer bedraagt dan 8,20 m,
3º uitgevoerd met een combinatie van één starre as en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de starre as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
4º uitgevoerd met een combinatie van meerdere starre assen en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van starre assen niet meer bedraagt dan 8,20 m;
1º uitgevoerd met uitsluitend één starre as en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
2º uitgevoerd met uitsluitend meerdere starre assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van assen niet meer bedraagt dan 8,20 m,
3º uitgevoerd met een combinatie van één starre as en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de starre as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
4º uitgevoerd met een combinatie van meerdere starre assen en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van starre assen niet meer bedraagt dan 8,20 m;
b. indien: 1º bij hefbare assen in zowel geheven als in niet geheven positie de in de onderdeel a genoemde afstanden niet worden overschreden, en
2º de gestuurde en zelfsturende assen voldoende meesturen.
1º bij hefbare assen in zowel geheven als in niet geheven positie de in de onderdeel a genoemde afstanden niet worden overschreden, en
2º de gestuurde en zelfsturende assen voldoende meesturen.
3. Met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet gestuurd of zelfsturend zijn.
a. artikel 3.5.7: indien het stuurwiel verstelbaar is uitgevoerd moet bij de meting worden uitgegaan van de meest naar de achterzijde van het voertuig gelegen stand van het stuurwiel;
b. artikelen 3.3.6, tweede lid, 3.3.8 en 3.7.6, tweede lid: een rijproef of een gesimuleerde rijproef moet worden uitgevoerd dan wel een berekening vindt plaats. In geval van een aanhangwagen moet dit geschieden met een passend trekkend motorrijtuig.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing:
a. op opleggers: 1º uitgevoerd met uitsluitend één starre as en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
2º uitgevoerd met uitsluitend meerdere starre assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van assen niet meer bedraagt dan 8,20 m,
3º uitgevoerd met een combinatie van één starre as en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de starre as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
4º uitgevoerd met een combinatie van meerdere starre assen en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van starre assen niet meer bedraagt dan 8,20 m;
1º uitgevoerd met uitsluitend één starre as en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
2º uitgevoerd met uitsluitend meerdere starre assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van assen niet meer bedraagt dan 8,20 m,
3º uitgevoerd met een combinatie van één starre as en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de starre as niet meer bedraagt dan 8,20 m,
4º uitgevoerd met een combinatie van meerdere starre assen en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van starre assen niet meer bedraagt dan 8,20 m;
b. indien: 1º bij hefbare assen in zowel geheven als in niet geheven positie de in de onderdeel a genoemde afstanden niet worden overschreden, en
2º de gestuurde en zelfsturende assen voldoende meesturen.
1º bij hefbare assen in zowel geheven als in niet geheven positie de in de onderdeel a genoemde afstanden niet worden overschreden, en
2º de gestuurde en zelfsturende assen voldoende meesturen.
3. Met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet gestuurd of zelfsturend zijn.