BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.46
Regeling toelatingseisen
De volgende gebieden aan weerszijden van het voertuig moeten zijn beveiligd:
a. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling en het verticale dwarsvlak dat eindigt op 0,30 m vóór het voorste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m: indien binnen de maat van 2.50 m de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het eerstgenoemde vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
b. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel, indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, zoals weergegeven in figuur 19 en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m;
c. het gebied na het achterste achterwiel gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig.
a. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling en het verticale dwarsvlak dat eindigt op 0,30 m vóór het voorste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m: indien binnen de maat van 2.50 m de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het eerstgenoemde vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
b. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel, indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, zoals weergegeven in figuur 19 en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m;
c. het gebied na het achterste achterwiel gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig.