BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.58
Regeling toelatingseisen
1. Het voertuig moet binnen de in artikel 8.57genoemde gebieden aan elke zijkant zijn voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig het tweede of derde lid, waarvan de onderrand zich moet bevinden op ten minste 0,90 m doch niet meer dan 1,30 m boven het wegdek, waarbij de bovenrand niet hoger hoeft te liggen dan de bovenzijde van de hoofdlangsligger of hoofdlangsliggers dan wel de laadvloer.
2. De zijdelingse afscherming kan ondermeer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste profielen.
3. De onder het tweede lid genoemde vormvaste profielen moeten zijn vervaardigd uit metaal of kunststof. Deze profielen moeten een hoogte hebben van ten minste:
a. 30 mm, indien het een voertuig betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of
b. 50 mm, indien het een voertuig betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg,
en een breedte hebben van ten minste 30 mm.
4. Indien het een uitschuifbaar voertuig betreft, mag in afwijking van:
a. het eerste lid, de onderrand zich op minder dan 0,90 m boven het wegdek bevinden;
b. het derde lid, onderdeel b, de hoogte van het dunste deel van het profiel ten minste 30 mm bedragen.
5. Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van afzetbakken, wissellaadbakken of containers mag in afwijking van het eerste lid de onderrand zich op minder dan 0,90 m boven het wegdek bevinden.
2. De zijdelingse afscherming kan ondermeer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste profielen.
3. De onder het tweede lid genoemde vormvaste profielen moeten zijn vervaardigd uit metaal of kunststof. Deze profielen moeten een hoogte hebben van ten minste:
a. 30 mm, indien het een voertuig betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of
b. 50 mm, indien het een voertuig betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg,
en een breedte hebben van ten minste 30 mm.
4. Indien het een uitschuifbaar voertuig betreft, mag in afwijking van:
a. het eerste lid, de onderrand zich op minder dan 0,90 m boven het wegdek bevinden;
b. het derde lid, onderdeel b, de hoogte van het dunste deel van het profiel ten minste 30 mm bedragen.
5. Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van afzetbakken, wissellaadbakken of containers mag in afwijking van het eerste lid de onderrand zich op minder dan 0,90 m boven het wegdek bevinden.