BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 5.37
Regeling toelatingseisen
1. De gasdichte kast moet, indien nodig door middel van een verbindingsslang en doorvoerstuk welke bestand zijn tegen LPG, rechtstreeks in open verbinding staan met de buitenlucht.
2. De ventilatieopening van de gasdichte kast moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat.
3. Een verbindingsslang en doorvoerstuk in de bodem van de carrosserie van het motorrijtuig ten behoeve van de ventilatie van de gasdichte kast moeten een doorstroomopening hebben van ten minste 450 mm²: indien in de verbindingsslang en in het doorvoerstuk een gasleiding of andersoortige leiding dan wel elektrische bedrading is aangebracht moet de doorstroomopening een oppervlakte behouden van ten minste 450 mm².
4. De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte kast als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.
2. De ventilatieopening van de gasdichte kast moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat.
3. Een verbindingsslang en doorvoerstuk in de bodem van de carrosserie van het motorrijtuig ten behoeve van de ventilatie van de gasdichte kast moeten een doorstroomopening hebben van ten minste 450 mm²: indien in de verbindingsslang en in het doorvoerstuk een gasleiding of andersoortige leiding dan wel elektrische bedrading is aangebracht moet de doorstroomopening een oppervlakte behouden van ten minste 450 mm².
4. De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte kast als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.