BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.57
Regeling toelatingseisen
De volgende gebieden aan weerszijden van het voertuig moeten zijn beveiligd:
a. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint: 1º bij een bedrijfsauto aan de achterzijde van de cabine, echter bij een cabine die verend is opgehangen of bij een kantelcabine op 0,10 m achter de cabine;
2º bij een bedrijfsauto waarbij de afscherming niet kan worden doorgetrokken tot aan de cabine in verband met de plaatsing van het bestuurde of gestuurde wiel, op 0,50 m achter de achterzijde van dit bestuurde of gestuurde wiel;
3º bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
4º bij een aanhangwagen, niet zijnde een oplegger of middenasaanhangwagen, aan de voorzijde van het voertuig waarbij de trekdriehoek, het projectievlak boven het wiel en het gedeelte vóór en achter het projectievlak van het voorwiel tot een afstand van 0,50 m buiten beschouwing worden gelaten;
5º bij een oplegger op niet meer dan 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen, met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, en het verticale dwarsvlak dat eindigt op 0,30 m vóór het voorste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m;
1º bij een bedrijfsauto aan de achterzijde van de cabine, echter bij een cabine die verend is opgehangen of bij een kantelcabine op 0,10 m achter de cabine;
2º bij een bedrijfsauto waarbij de afscherming niet kan worden doorgetrokken tot aan de cabine in verband met de plaatsing van het bestuurde of gestuurde wiel, op 0,50 m achter de achterzijde van dit bestuurde of gestuurde wiel;
3º bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
4º bij een aanhangwagen, niet zijnde een oplegger of middenasaanhangwagen, aan de voorzijde van het voertuig waarbij de trekdriehoek, het projectievlak boven het wiel en het gedeelte vóór en achter het projectievlak van het voorwiel tot een afstand van 0,50 m buiten beschouwing worden gelaten;
5º bij een oplegger op niet meer dan 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen, met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen,
b. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel, indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, zoals weergegeven in figuur 22, en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m;
c. het gebied na het achterste achterwiel gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig.
a. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint: 1º bij een bedrijfsauto aan de achterzijde van de cabine, echter bij een cabine die verend is opgehangen of bij een kantelcabine op 0,10 m achter de cabine;
2º bij een bedrijfsauto waarbij de afscherming niet kan worden doorgetrokken tot aan de cabine in verband met de plaatsing van het bestuurde of gestuurde wiel, op 0,50 m achter de achterzijde van dit bestuurde of gestuurde wiel;
3º bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
4º bij een aanhangwagen, niet zijnde een oplegger of middenasaanhangwagen, aan de voorzijde van het voertuig waarbij de trekdriehoek, het projectievlak boven het wiel en het gedeelte vóór en achter het projectievlak van het voorwiel tot een afstand van 0,50 m buiten beschouwing worden gelaten;
5º bij een oplegger op niet meer dan 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen, met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, en het verticale dwarsvlak dat eindigt op 0,30 m vóór het voorste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m;
1º bij een bedrijfsauto aan de achterzijde van de cabine, echter bij een cabine die verend is opgehangen of bij een kantelcabine op 0,10 m achter de cabine;
2º bij een bedrijfsauto waarbij de afscherming niet kan worden doorgetrokken tot aan de cabine in verband met de plaatsing van het bestuurde of gestuurde wiel, op 0,50 m achter de achterzijde van dit bestuurde of gestuurde wiel;
3º bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter het hart van de koppeling: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het vlak aan de voorzijde van de bovenbouw;
4º bij een aanhangwagen, niet zijnde een oplegger of middenasaanhangwagen, aan de voorzijde van het voertuig waarbij de trekdriehoek, het projectievlak boven het wiel en het gedeelte vóór en achter het projectievlak van het voorwiel tot een afstand van 0,50 m buiten beschouwing worden gelaten;
5º bij een oplegger op niet meer dan 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen, met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen,
b. het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel, indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, zoals weergegeven in figuur 22, en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m;
c. het gebied na het achterste achterwiel gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel of in geval van een bestuurd of gestuurd achterwiel op niet meer dan 0,50 m en het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig.