BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 5.21
Regeling toelatingseisen
1. De LPG-tank moet met de daartoe bestemde vaste bevestigingspunten dan wel met behulp van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig worden aangebracht.
2. De bevestiging van de LPG-tank moet zodanig zijn uitgevoerd dat de volgende acceleraties kunnen worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken wanneer de tank vol is:
a. voor personenauto's en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, voor motorfietsen en voor driewielige motorrijtuigen, 20 g in de rijrichting, en
8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
20 g in de rijrichting, en
8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
b. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer 3500 kg doch niet meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12000 kg, 10 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
10 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
c. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, 6,6 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting.
6,6 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting.
3. In het geval de LPG-tank op een andere plaats dan op het dak van het motorrijtuig is aangebracht wordt aan het bepaalde in het tweede lid voldaan indien de bevestiging aan het motorrijtuig:
a. bestaat uit ten minste vier bouten,
b. is voorzien van onderlegringen of -platen, in het geval het plaatwerk ter plaatse enkelvoudig is uitgevoerd, en
c. deze bouten en onderlegringen of -platen, uitgaande van materiaalsoort St 37 en bevestigingsbouten van klasse 8.8 ten minste voldoen aan de hieronder in tabel 1 aangegeven afmetingen.
4. Ter plaatse van de bevestiging mogen geen samendrukbare stoffen aanwezig zijn, tenzij de bevestiging voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.
2. De bevestiging van de LPG-tank moet zodanig zijn uitgevoerd dat de volgende acceleraties kunnen worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken wanneer de tank vol is:
a. voor personenauto's en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, voor motorfietsen en voor driewielige motorrijtuigen, 20 g in de rijrichting, en
8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
20 g in de rijrichting, en
8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
b. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer 3500 kg doch niet meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12000 kg, 10 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
10 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;
c. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, 6,6 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting.
6,6 g in de rijrichting, en
5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting.
3. In het geval de LPG-tank op een andere plaats dan op het dak van het motorrijtuig is aangebracht wordt aan het bepaalde in het tweede lid voldaan indien de bevestiging aan het motorrijtuig:
a. bestaat uit ten minste vier bouten,
b. is voorzien van onderlegringen of -platen, in het geval het plaatwerk ter plaatse enkelvoudig is uitgevoerd, en
c. deze bouten en onderlegringen of -platen, uitgaande van materiaalsoort St 37 en bevestigingsbouten van klasse 8.8 ten minste voldoen aan de hieronder in tabel 1 aangegeven afmetingen.
4. Ter plaatse van de bevestiging mogen geen samendrukbare stoffen aanwezig zijn, tenzij de bevestiging voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.