BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 7.30
Regeling toelatingseisen
1. De hulprem moet regelbaar zijn.
2. De onderstaande remmen kunnen als hulprem fungeren:
a. de parkeerrem, mits de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s² bedraagt, en de overbrenging onafhankelijk is van die van de bedrijfsrem, of
b. de bedrijfsrem, indien het een gescheiden systeem betreft en bij het uitvallen van één van de kringen de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s² bedraagt
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden niet als delen van de overbrenging aangemerkt, de delen die de verbinding vormen tussen het bedieningsorgaan en de hoofdremcylinder of de rembedieningsklep, mits deze delen voldoen aan artikel 7.31.
2. De onderstaande remmen kunnen als hulprem fungeren:
a. de parkeerrem, mits de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s² bedraagt, en de overbrenging onafhankelijk is van die van de bedrijfsrem, of
b. de bedrijfsrem, indien het een gescheiden systeem betreft en bij het uitvallen van één van de kringen de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s² bedraagt
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden niet als delen van de overbrenging aangemerkt, de delen die de verbinding vormen tussen het bedieningsorgaan en de hoofdremcylinder of de rembedieningsklep, mits deze delen voldoen aan artikel 7.31.